Dichtjes en datjes
Dichtjes en datjes
Het lied van de Vagebond
Maandag 29 April 2013 08:35 | Geschreven door Folkert Janssens
Voorwoord
Net als mijn voorgaande boek is een groot deel van de personages en gebeurtenissen fictief, echter veel mensen zullen zichzelf of anderen wederom menen te herkennen. Een aantal van hen heeft daar volkomen gelijk in. Bepaalde figuren hebben tijdens onze toevallige ontmoetingen dusdanige herinneringen achtergelaten dat die onlosmakelijk verbonden zijn met mijn fantasie en de werkelijkheid. Als gevolg daarvan lopen die ook door elkaar en dit boek is voor een groot deel geïnspireerd op gesprekken met en over iemand die ik nauwelijks kende maar waar ik bijna dagelijks contact mee had gedurende de tijd dat ik werkte als taxichauffeur in de jaren negentig. Ter volledigheid, ik vel geen oordeel, draag geen mening uit, het is slechts een observatie omgezet naar een, hopelijk, boeiend verhaal.
“Taxichauffeur, heb je ’n guld’n voor mij?”
Robert (1948-2001)
1. Niets anders dan het suizen en slurpen van de aan het natte asfalt klevende wielen en het zachte monotone geluid van de motor verstoorde de nachtelijke rust. Verstoren was eigenlijk niet het goede woord want je zou er heerlijk op weg kunnen soezen als je niet zelf achter het stuur zat. De binnenstad was op dit tijdstip praktisch verlaten. Hier en daar zag je nog achter een verlicht raam van een bar of café iemand een vegende beweging maken om zodoende de restanten van het uitgaansleven van die nacht de geschiedenis in te doen belanden. Deze stad was een slaapstad. Er woonden veel forensen die over twee uurtjes massaal op moesten staan om zich naar de naburige industriesteden te haasten. Het uitgaansgebied telde slechts vier straten. De lucht van bier en shoarma vervaagde langzaam en een vroege vogel stak hier en daar alweer een krant in de brievenbus. Langzaam manoeuvreerde Janine de 2CV naar een eenzame boom voor het Stedelijk Museum. Ze wilde nog even haar benen strekken om de van de lange rit verstijfde spieren los te maken. Daarna zette ze koffie. Het primusbrandertje en de ketel lagen al klaar op de passagiersstoel, onder het mom van 'je eerste levensbehoefte moet je altijd voor het grijpen hebben'. In gedachten verzonken stak ze een sigaret op. De rook kringelde langzaam omhoog naar de linnen huif van de auto en bleef als een vijf centimeter dikke mistlaag hangen. De boom waar het allemaal om draaide stond statig als een poortwachter de toegang tot het museum te bewaken alsof er niets besloten was over haar toekomst. Niemand kon zomaar voorbij de boom lopen, want één van haar wortels had een rij klinkers uit de grond omhooggeduwd zodat je er bijna niet zonder struikelen langs kon komen. Haar overlevingsdrang had haar vonnis getekend. De gangen, riolen en restanten van de oude funderingen onder haar, dwongen haar de hoogte in te gaan met de wortels. De museumbezoekers en de dienst Gemeentewerken waren van plan haar te verwijderen. Een dode van Gogh was mooier om naar te kijken dan naar een levende Kastanje. Janine sloeg haar armen om de stam. De ruwe bast drukte tegen haar huid en vormde allemaal rode afdrukken op haar armen en gezicht. Deze boom moest ongeveer 90 jaar oud zijn, want ze had tijdens de Tweede Wereldoorlog daar ook al gestaan. Misschien had ze wel beschutting geboden aan de onder vuur genomen, vluchtende mensen van de Ondergrondse, na de overval op de verderop gelegen gevangenis. Ergens halverwege de boom zaten waarschijnlijk nog wel schotwonden uit die tijd. Met haar zakmes peuterde Janine hier en daar punaises uit de stam. Enkele waren al helemaal verroest en hadden kunnen dateren uit de tijd van de grote demonstraties tegen de kernwapens, halverwege de jaren tachtig. Andere hadden misschien gediend voor het ophangen van aankondigingen van optredende bands. Er stond een hartje in de stam gekerfd met aan weerszijden letters, RJ loves HdJ, en daaronder het jaartal 2005. Nee, niemand zou vanaf nu nog bij de boom kunnen komen. De auto stond dicht tegen de stam geparkeerd. Op de motorkap drapeerde Janine een mooi damasten tafelkleed en plaatste daar twee kandelaartjes op. Het primusje deed zijn best en het keteltje pruttelde hoorbaar tevreden. Tijdens de koffie kwamen allerlei beelden van de afgelopen dagen terug. Hoe ze aan de auto was gekomen, het verhaal in de krant over hoe in de binnensteden langzaam al het groen verdween en de onrust die ze al enkele weken van binnen voelde. Vorige week, toen ze langs een sloperij fietste, was het net of dit autootje naar haar knipoogde; ze was er zelfs even voor terug gefietst. Het zal wel verbeelding geweest zijn, maar toen ze ’s avonds weer op weg naar huis weer het gevoel kreeg dat het autootje contact met haar zocht, liet het haar niet meer los. De volgende ochtend op weg naar haar werk zag ze een grote rode BMW hoog aan een magneetkraan bungelen en in een flits schoot door haar heen dat het leuke eendje wel hetzelfde lot zou kunnen wachten binnenkort. Net voordat de auto de schrootpers in zou gaan, wist ze de aandacht van de kraanmachinist te trekken. De robuuste en hoekige kerel kwam speciaal voor haar even uit de cabine en na drie minuten onderhandelen was ze voor 450 euro de trotse bezitter van de lelijke eend. Een gedeukt en gebutst exemplaar uit het bouwjaar ’71. Ze wist nog niet wat ze er mee zou moeten doen want ze had geen verstand van auto’s en de eend zou niet starten zonder de benodigde accu en brandstof. Bovendien had ze nog maar twee maanden haar rijbewijs. Toen ze ’s middags met haar vader terug kwam, bleek dat de aardige kraanmachinist de boel had nagekeken en een andere accu had gemonteerd, zodat het motortje weer liep als een klok. En dat helemaal voor niets! Ze kon haar geluk niet op. De auto zou waarschijnlijk niet door de APK komen maar rijden deed ie. Het enige probleem was dat er geen kentekenplaten meer bij waren maar hij was ook nog niet gevrijwaard dus kon ze zo nieuwe aanvragen. Tot zolang mocht ze wel met witte garageplaten rondrijden, die kon ze wel even lenen. Thuisgekomen ging ze voortvarend aan de slag en na een paar uurtjes poetsen zag het autootje er al heel anders uit. Het geel leek wel goud en parmantig stond het op zijn wielen. Hier en daar had de buurman nog wat deukjes uit de motorkap weten te werken en aan de achterkant was een lichtbakje vervangen. Op het postkantoor zette ze de auto op haar naam en regelde de verzekering ook meteen. Over de motorkap heen werd met een sjabloon de naam van de auto geschilderd en ook op de achterkant kwam in het klein de naam te staan. De auto heette vanaf die dag: Le Canaire. Ze wist niet zeker of dat wel correct Frans was maar het bekte wel lekker. Naast de naam was een sticker van Tweety geplakt. Diezelfde dag zag ze op televisie in één of ander praatprogramma dat het gemeentebestuur van deze stad van plan was om een in de weg staande kastanjeboom te kappen. In een reportage over het College van B. en W. passeerde de kastanje de revue. Niemand scheen zich druk te maken over het lot van de boom, en het feit dat het om de laatste boom in de binnenstad ging maakte ook al niet veel indruk op de massa. Janine kon zich daar vreselijk kwaad om maken; het gebrek aan respect voor de natuur, zelfs als dat midden in de stad stond. Zo'n boom was het laatste bolwerk voor insecten, vogels en misschien zelfs een enkele eekhoorn. Nee, als het aan haar lag ging het anders. Men zou respect hebben voor alles dat leeft, en dat zou zij heel goed inwrijven bij die pietluttige bestuurders en projectontwikkelaartjes. Langzaam kwam de stad weer tot leven. Janine bevestigde het spandoek aan de auto, en de antieke platenspeler sloot ze aan op de accu. Even later klonk “Rien, je ne regrette rien” zachtjes door de ontwakende stad. Achter haar klonk een kuchje. Ze draaide zich om en keek in het gezicht van een haveloos uitziende zwerver met een door vuil en smerigheid tot rastahaar verworden kapsel. “M'vrouw, heppie ook een euro voor mij?” vroeg de man. Uit de kontzak van haar strakke lichtblauwe spijkerbroek trok ze haar beurs. Met een “Dankjewel” aanvaardde de zwerver de munt. Het kopje koffie dat ze hem aanreikte werd dankbaar in ontvangst genomen. Na vier slokken gloeiend hete koffie ging hij verder, richting het station. Janine keek hem na en zag dat uit beide zakken van zijn lange overjas flessen staken, vermoedelijk whisky of andere sterke drank. Net voor hij de hoek om ging hoorde ze hem ineens brullen: “IK HEB KANKER, GODVERDOMME, IK HEB KANKER!” Hij raasde nog wat door maar langzaam stierf het geschreeuw in de verte weg totdat het overstemd werd door het geruis van het op gang gekomen autoverkeer. Een agent die net de hoek om kwam, keek hem nog hoofdschuddend na. In de verte boemelde een trein langzaam het station uit met een steeds snellere maar minder goed hoorbare cadans verdween het ding in de verte. Kennelijk was het een marktdag vandaag want er werden kramen opgebouwd op het tegenover het museum gelegen pleintje. Een groenteboer liep op haar af en bracht haar een lekkere appel, en met de woorden “Succes meid” liep hij terug naar zijn kraam waar de eerste mensen al naar het aanbod stonden te kijken. “NASHIEPEEHREUNNN, DRIE KILOOH, VIJF EUROOTJEUS!” Ernaast stond een bloemist die ook ineens mee begon te doen: “TULLLLUPEUH, MOOIE TULLUPPEUH, 1 EURO PER BOSSIEEEH!” Janine keek het allemaal even aan. Er is immers niets mooier dan het bekijken van mensen en wat ze doen wanneer ze zelf niet door hebben dat ze bekeken worden. Janine voelde ineens dat zij ook bekeken werd en draaide zich spoorslags om. Op enige afstand van haar stond een agent haar te observeren. Ze was benieuwd wat er nu zou gaan gebeuren. Zou hij haar sommeren weg te gaan of kreeg ze een bekeuring? Het maakte haar niet uit; niemand kreeg haar hier vandaag weg. En morgen ook niet. Ze zou hier blijven zitten totdat er iemand was die haar beloofde dat de boom met rust gelaten zou worden. Ze had niet voor niets met ontslag gedreigd toen haar werkgever haar niet voor onbepaalde tijd verlof wilde toestaan. De agent liep door naar de groenteman, greep even naar zijn walkie-talkie maar het leek erop dat hij niet in haar geïnteresseerd was. Ze zette bedachtzaam de naald van de platenspeler op een elpee. Ze schonk het laatste kopje koffie uit de koffiepot en genietend slurpte ze het zwarte vocht op. Plotseling stond er een bos bloemen in de lege koffiekan, gele tulpen. De agent draaide zich om zonder iets te zeggen en nog snel kon ze hem een kus op de wang drukken. Even hield de man in maar vervolgde zijn weg weer. Janine keek hem nog even na. Wat een lieve man, jammer dat hij zo gekweld keek. Ze had het een beetje met hem te doen. Terwijl ze hem nakeek zag ze een vermoeid ogende blondine richting de boom lopen. Lees meer... Reactie toevoegen
|
Te relaxed
Dinsdag 15 Maart 2011 18:28 | Geschreven door Folkert Janssens
Aangetrokken door de dageraad Trek ik mijn stoute schoenen aan de wereld lonkt in t ochtendgloren Nieuwe wegen in te slaan De koers geplot, bakens verzet ‘t Getij gekeerd, Even terug naar t warme bed nadat er verse koffie is gezet Waarom ook niet? Een croissantje bij ’t ontbijt Toch ben ik ergens wat vergeten, ‘k ben ineens mijn hondjes kwijt. Op de korrel
Zondag 30 Januari 2011 09:24 | Geschreven door Folkert Janssens
Mijn oor ligt op het lege strand, De afdruk van mijn schelp tussen al die anderen die niets meer horen. Het ruisen van de eb en vloed, De branding breekt met witte vlokken Sterven in de winter
Vrijdag 22 Januari 2010 23:10 | Geschreven door Folkert Janssens
Besneeuwde schouder, Gebogen onder zware last De laatste rustplaats benaderd met onzeek’re pas De herinnering schrijdt enkel voort Een ander haalt ze op of in Maar geen van allen die hier volgen voelen zich te min De tranen op te nemen die het groen en troost gaan voeden. Woorden helen zelden wonden Wat ziek is moet genezen, Gevoel moet zijn gevoeld. Om als het einde daar is een oprechte traan te laten voor wie ze is bedoeld. Metgezellig
Maandag 25 mei 2009 09:27 | Geschreven door Folkert Janssens
Ga je vandaag met me mee? Het maakt niet uit waarheen, Als er maar niets is te beleven. Dan beleef ik het met jou, dat er niets is dat verstoord, afleidt, er niet hoort. En dan samen in de auto, zwijgend, terug naar huis. Tringgg!
Woensdag 13 mei 2009 09:27 | Geschreven door Folkert Janssens
“Kom, zullen we vandaag eens even onthaasten?’. Vraag ik aan mijn vrouw. Even lijkt ze na te denken over mijn vraag maar dan breekt haar gezicht open in een glimlach. Het onthaasten sloeg namelijk op de stress van vrienden van ons die net terug waren van vakantie aan de Middelandse zee. De hele dag hadden ze in de file gestaan. Hoewel ze van Rome naar Amsterdam in anderhalve dag hadden afgelegd bleek de laatste honderd kilometer te veel. Een ongeval en een kapotte brug leverden maar liefst 12 uur vertraging op en om nu helemaal van Kornwerderzand terug te rijden om het IJsselmeer heen terwijl de brug misschien ieder moment gerepareerd zou kunnen zijn was net te veel van het goede met de haven zo dicht in zicht. Volledig gestressed en kapot van vermoeidheid waren ze uiteindelijk een dag later op de boot gestapt om vervolgens meteen weer aan het werk te kunnen gaan. “Laten we vandaag maar eens een wandelingetje op de Vliehors gaan maken” zei ze in antwoord op mijn vraag en even later stapten we al in de bus van de TCR die ons naar het Posthuys bracht. Een uurtje later liepen we achter de Kroonspolders langs en betraden de Hors en de volmaakte leegte van een landschap waarin buiten ons geen menselijk wezen zichtbaar was. Of ja, toch, heel in de verte kwam er iets op ons af maar het ging te snel om een wandelaar te kunnen zijn. We hadden de gebaande paden verlaten en liepen dolend over de onmetelijke zandvlakte en de gestalte in de verte naderde langzaam. Het was iemand op een mountainbike. Dat moest wel zo zijn want met een gewone fiets zou je nog geen meter af kunnen leggen in de vlakte die voor het grootste gedeelte uit stuifzand bestond. Boven Texel dreef een donkere wolk en we besloten om maar niet te lang op de Hors te blijven, er kon wel een onweersbui in zitten en nadat we nog even om ons heen hadden gekeken keerden we op onze schreden terug. Onze sporen stonden als een wegwijzer in de verder kale vlakte en we maakten er een spelletje van om elke voetstap precies in de afdruk van de vorige op de heenweg te zetten. Achter ons hoorden we het gehijg van de kennelijk uitgeputte fietser en toen we omkeken hoe ver hij nog van ons was verwijderd klonk tegelijk de bel. “Mag ik wel even passeren?” vroeg de fietser. Heel even keken we elkaar verbijsterd aan. Het duurde niet zo heel lang of de fietser verdween uit onze ogen. De bel klonk nog wel heel lang na, zelfs toen we eenmaal weer thuis waren. Sprakeloos
Vrijdag 24 Oktober 2008 18:29 | Geschreven door Folkert Janssens
|





